My Oratio (Intree Rede) June 5 1996 at TU Delft

Jaap at Terena Rhodos

(in the Dutch Language) The original unchanged text, still valid what I said :-)

Overgangen, Over-bruggen, Over Grenzen

Rede, uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van deeltijd hoogleraar in de Telecommunicatie in het bijzonder voor bedrijfstoepassingen aan de Faculteit der Elektrotechniek van de Technische Universiteit Delft op woensdag 5 juni 1996 door ir. J.W.J. van Till                                                            Copyright © 1996 by J.W.J. van Till

 


 

Mijnheer de Rector Magnificus, leden van het College van Bestuur, collegae hoogleraren en andere leden van de universitaire gemeenschap. Zeer gewaardeerde toehoorders. Dames en Heren,

1. Inleiding en headlines

Als mensen mij vol interesse vragen wat ik in Delft ga doen dan antwoord ik eenvoudig en niet zonder reden: ‘ik ben de nieuwe INTERNET-professor!’ Dit werkt marketing-technisch prima, want het sluit goed aan op de verwachting en de voorkennis die mensen hebben. Internet is een enorm en voor velen onverwacht succes [1]. Geen aansluiting erop hebben is voor vele kenniswerkers zoals wetenschappers al iets ondenkbaars geworden. Ook is een groot deel van het digitale Internet verkeer al voor bedrijfsgebruik en voor delen van het grote publiek. Iedereen heeft bijna dagelijks direct of indirect met het Net te maken.

Toch is het label van Internet-Prof wat te oppervlakkig. Ik ben niet van plan me elke week weer met de allerlaatste mode-symptomen van Internet of Intra-netten bezig te gaan houden, maar met de uitbouw van ruggegraat-netten [1] die voor het gebruik nodig zijn. Dit is vrij diepgaand technisch en elektro-technisch. Ook verdiept mijn onderzoek en onderwijs zich in de oorzaken. Wat zijn de drijfveren en condities die telecommunicatie netten tot een succes of mislukking maken? Hoe maken we voor gebruikersorganisaties een goed werkend geheel van de veelal versnipperde ad-hoc netwerken? Meer dus in de volgende trant: hoe ‘kweken’ we bedrijfsinterne telecommunicatie-stelsels zoals via Internet en via bedrijfstelefooncentrales; en hoe zorgen we dat mensen via die netten kunnen gaan samenwerken en dat ook blijven doen. Cruciaal voor ‘netwerk’ succes van mensen is een zeer goede bereikbaarheid. Het beter in gesprek met elkaar raken over de organisatorische grenzen heen is daarom het leitmotiv van deze intreerede.

2. Situatie: Overgangen in de tijd

Waarom maak ik zo’n punt van die ‘bereikbaarheid’? Omdat het van een bijzaak een hoofdzaak aan het worden is. We leven in een overgangstijd met echte trendbreuken waarin oude zekerheden verbrokkelen en sommige recepten plotseling niet meer blijken te werken. Tegelijkertijd begint concensus over hoe het nu verder moet nog maar aarzelend post te vatten. Het is ook erg verwarrend omdat alles tegelijk lijkt te veranderen. Bij nadere beschouwing blijkt dat deze veranderingen niet zozeer van A-stopt naar B-start zijn, maar dat ze het karakter hebben van toevoegingen en uitbreidingen. Alles wat was blijft geldig, maar er komt iets bij wat het geheel een totaal ander aanzien geeft. Er is sprake van een soort veranderde aggregatietoestand, zoals van ‘vast’ naar ‘vloeistof’ en naar ‘gas’. Ook in dit geval veranderen de componenten zelf niet maar gedrag en sommige spelregels wel.

2.1 Situatie in de telecommarkt

Het voorbeeld van deze overgangen wat ik hier ten tonele wil voeren is dat van de telefoonaansluitingen. In elk land op deze wereld is een vast patroon waarneembaar in de ontwikkeling van het publieke telefoonnet [2] en niet alleen daarin maar ook in de invoering van spoorwegen, energiedistributie, luchtlijnen en het autowegennet.

In fase I (kosten delen) van de ontwikkeling worden, door grote bedrijven voor zichzelf, puur op kosten/baten basis, bediende telefooncentrales ingericht met eigen aanleg van aansluitingen.

Deze ad-hoc privé initiatieven voor intern bedrijfsgebruik en voor aansluiting op klanten en zakenpartners werden meestal gevolgd door de aanleg van telefoonnetten in stadscentra, nu tevens voor vermogende particulieren en winkeliers. Deze fase is dus te beschouwen als ondernemend maar versnipperd. De ad-hoc eiland- netwerkjes zijn onderling incompatible en groeien elk door het omslaan van de vaste kosten over zo veel mogelijk deelnemers.

In de meeste Westeuropese landen werd in de buurt van 1900 een overgang gemaakt naar Fase II. Deze wordt de herdistributie fase genoemd. Het telefoonnetwerk groeit door een politiek-maatschappelijke concensus. Alle deelnemers stemmen ermee in dat de bestaande abonnees en met name de bedrijfsgebruikers helpen betalen voor de nieuwe aansluitingen. Iedereen is immers gebaat bij meer aangeslotenen op het net. In deze fase ontstaat de politieke slogan van ‘universal service’: iedereen waar dan ook tegen hetzelfde tarief aansluiten en laten telefoneren. De exploitatie van dit gezamenlijke landelijke net wordt in handen van de Rijksoverheid gegeven en de bedrijfs- en gemeentenetten worden opgeslokt. In Nederland is dit in de Post en Telegraafwet van 1904 vastgelegd. De consensus over het samen opbouwen van deze monopolie- infrastructuur inclusief kruis-subsidies binnen een gesloten landelijk systeem werd nog eens herbevestigd na de WO II. Toen moest ons telefoonnet totaal opnieuw opgebouwd worden. Verspilling van schaarse resources moest immers vermeden worden. In fase II zijn de wensen van de abonees bekend: kunnen bellen, veel meer hoefde aan hen niet gevraagd te worden. Het ‘staatsbedrijf der PTT’ zorgt immers voor een eerlijke AANBODverdeling van de schaarse middelen. Er worden hoogstens twee soorten abonnees onderscheiden: ‘consumenten’ = huishoudens met een zwarte telefoon, en ‘zakelijk’ gebruik = bedrijfsaansluitingen met een PABX en misschien een of meer telexapparaten. Het exploiteren en verbeteren van het transmissie- en schakelnet vereiste technologische vernieuwingen. Deze doorliepen soms wel een dertigjarig traject van fundamenteel wetenschappelijk onderzoek bij TH, Neherlab en Natlab; naar produktontwikkeling bij o.a. Philips en Ericsson, tot invoering in het land door de PTT. De mensen in die ingenieurswereld kenden elkaar en wisselden onderling van plaats gedurende hun loopbaan. Ik heb hier geen spoor van kritiek op, het paste immers in de context van DIE tijd. Veel landen in de wereld bevinden zich ook nu nog in Fase I of als ze geluk hebben Fase II.

Tussen 1970 en 1980 vindt in Nederland de tweede overgang in de telecommunicatie plaats en wel naar diversiteit . Er begint verzadiging in het land te komen naar het aantal telefoonaansluitingen, let wel: niet naar het telefoonverkeersvolume. Het succes van roll-outfase II ondermijnt tegelijk de legitimatie van haar concensus, immers aansluitingen houden op schaars te zijn. De uniformiteit van het telefoonnet begint verloren te gaan omdat de wensen van de vele participanten niet langer op één noemer kunnen worden gehouden. Er ontstaat nu een netwerk van sub-netwerken. Deze huidige fase III is die van het veelvormige netwerk. Er verschijnen meerdere transnationale carriers en een distributieketen van locale dienstverleners die de diverse en snel veranderende wensen van de telecommunicatieklanten in concurrentie met elkaar proberen te vervullen. En ja, de klanten worden mondiger en ook uitgesprokener in hun kwaliteitseisen, zoals we recent weer konden zien met betrekking tot de 06 rekeningen. Met name de bedrijfsklanten met grote trans-nationale ‘corporate networks’, verenigd in de Bedrijfs Telecommunicatie Grootgebruikersvereniging (de BTG, die heden haar tienjarig bestaan viert) roeren zich op deze VRAAG-markt en dwingen prijs/ kwaliteitsverbeteringen af. Dit is het werkgebied waar mijn leerstoel zich op concentreert. Niet de netten van de PTT’s maar wat er ‘aan hangt’. Customer Premises Equipment (CPE) heet dat.

Vroeger werd daar misprijzend over gesproken als de ‘randaparatuur’ aan het net, ofwel ‘terminals’ wat eindstations betekent. Tegenwoordig is het andersom, de investeringen die plaatsvinden aan de gebruikerskant, op eigen terreinen, zijn een veelvoud van die binnen in de publieke netwerken. Dat komt omdat tegenwoordig behalve de forse interne telecomnetten ook de computers en LAN’s aangesloten zijn en dus ook CPE zijn. Ik schat dat het Nederlandse bedrijfsleven in 1995 totaal 14 miljard gulden aan communicatie- en computernetten uit heeft gegeven. En deze vraagkant groeit gezond.

Er is dus in deze Fase III werkelijk een overgang bezig van aanbod- naar vraagmarkt. Inkoop en procurement worden belangrijker. Dat merken wij bij adviesbureau Stratix in onze projecten. Na een periode van telecomschaarste komen we nu in een situatie van overvloed en diversiteit terecht. Je moet echter wel weten wat en van welke betere kwaliteit je wilt kopen of laten dienstverlenen op de telecommunicatiemarkt. Het ontwerpen en helpen aanschaffen en verbeteren van zulke ‘corporate networks’ is het onderwerp van mijn leerstoel.

De overgang van fase II(roll-out) naar fase III(diversiteit) in de communicatie-netwerkmarkt is nu al zeker 10 jaar bezig en nog steeds doet men onwennig. Niet alleen aan de vraagkant, waarover ik het zojuist had, maar ook aan de kant van de aanbieders, waar men moet leren concurreren en aan de kant van de staat, de regelgevers voor het algemeen belang. Dat de telecom geen staats(verstrekkings)taak meer is wil niet zeggen dat de overheid geen taak in deze meer zou hebben. In tegendeel, juist nu in mede-dinging zijn er spelregels en deskundige onafhankelijke scheidrechters nodig.

Zoals ik zei komen we in West-Europa van een situatie van schaarste in een situatie van telecom overvloed. Dat heeft niet louter het effect van MEER : hogere aantallen waardoor de prijzen zouden moeten kelderen, maar veeleer de mogelijkheid tot BETER: hogere kwaliteit van producten en diensten, beter toegesneden op de specifieke turbulente wensen van de klanten.

Het is mij en mijn collega’s, als helpers van klanten, helaas dikwijls overkomen dat het stellen van vragen over producten aan PTT’s in Europa of aan grote computerbedrijven leidde tot driftaanvallen van de verkopers of zelfs tot het ons tot vijand verklaren. In hun optiek stoort het tonen van interesse door de klant voor hun produkt het soepele verloop van het verkoopproces. De klant als vijand, dat is een droevig misverstand, een overblijfsel uit fase II.

Er is juist dringend behoefte aan betere gesprekken tussen aanbieders en vragers. Beide kunnen en moeten veel en snel van elkaar leren. Voor een groot deel is dat technisch onderzoek en ingenieurswerk, waarbij ook cultuurverschillen overbrugd moeten kunnen worden.

Er staat erg veel op het spel en fundamentele- en technische kennis op netwerktechnologiegebied is schaars. De Nederlandse overheden hebben met het Nationaal AktiePlan, zie [4], Elektronische Snelwegen een belangrijke impuls gegeven aan het verbeteren van o.a. hun eigen bedrijfsnetwerken en hun communicatiesystemen met de buitenwereld. De Sociaal Economische Raad heeft recent in een ontwerp-advies [5] nog eens gewezen op het belang van de ‘kennis-infrastructuur’ en onderwijs voor ons aller toekomst. Het Kabinet blijkt bereid forse investeringen in ‘infrastructuur’ te gaan doen. Ik hoop dat, ook daar, nu eindelijk eens mentale bruggen tussen fysieke- en informatie/ communicatie-infrastructuren geslagen worden.

2.2 Situatie bij bedrijven

Niet alleen aan de overheids- en telecomaanbodkant zitten we midden in een aantal overgangen. Ook bedrijven onderling gaan nu essentieel anders met elkaar om dan in de industriële maatschappij gebruikelijk was. Ook hier treffen we een overgang aan van Fase II : massaproductie van identieke consumptiegoederen, naar fase III: productie en distributieketens met continue verbetering [6]. Zonder bijbehorende gekoppelde ‘enterprise networks’ kan je het zakelijk wel vergeten om in die wereld mee te blijven draaien. Dit klinkt misschien erg abstract en ver van uw bed maar wat ik beschrijf is overal om ons heen te zien.

Een schipper bijvoorbeeld, onderhandelt op een trawler vol met haring op zee al via zijn ‘mobile phone’ met havens in een paar landen waar hij heen kan varen en met de afnemers en de transportbedrijven aldaar. Op de haringveiling zelf is bij elke partij haring een doopzeel aan informatie beschikbaar van schip, plaats en tijd van vangen. Het zal niet lang meer duren of elke haring heeft op z’n staart een barcodelabel waarmee u via Internet kan zien welke smaak u gekozen heeft. Smaken verschillen nietwaar.

Een ander voorbeeld: vroeger werd dagelijks de weersverwachting voor Nederland voor de volgende dag omgeroepen op de radio. Men heeft zich echter gerealiseerd dat ‘het weer’ niet voor alle mensen hetzelfde is. Zeelui, boeren met oogstrijp gewas op een bepaalde plek, windsurfers hebben weer een ander en voor die persoon groot belang bij een specifieke betere voorspelling. Er zijn nu veredelaars in de weerinformatie-keten die de voorspelling tegen betaling via netwerken verfijnen naar plaats en weersoort van de geintereseerde waarmee ze in contact staan. Aan de weerkaartjes op de TV kunt u zien dat ‘het weer’ zich ook buiten onze landsgrenzen beweegt. Wat ver weg gebeurt heeft effecten op ons eigen tuintje.

In fase III zijn bedrijven de volgende drie structureel ingrijpende overgangen aan het doormaken, die elk ondenkbaar zouden zijn zonder communicatienetwerken, te weten:.

A. Van massaproduktie naar, zoals gezegd; in de richting van de vraagmarkt uitwaaierende distributieketens. Tussen de deelnemers is transactiecommunicatie en de afnemers kunnen naar wens op verschillende plaatsen in de ketens inprikken, ook stroomopwaarts! Een voorbeeld is de verzekeringsbranche waar een enorme diversiteit aan maatwerk is, met voor de klant onzichtbare fabrieksmatige verwerking elders in de keten. Ook kan de verzekeringnemer kiezen om ‘direct naar Apeldoorn’ te bellen, of bijvoorbeeld het andere uiterste, een deskundige thuis te bestellen.

B. Transnationaal. Landsgrenzen spelen in erg veel bedrijfstakken steeds minder een rol. Dat wil niet zeggen dat lokale omstandigheden en markten identiek zijn. Integendeel, die vereisen een nog beter transport- en communicatienetwerk voor je informatie-logistiek.

C. Het moet sneller. Konden, zoals gezegd bij de telecom, vroeger onderzoek, ontwikkeling en implementatie van een nieuwe technologie nog achtereenvolgens bij verschillende instituties gedurende tientallen jaren plaatsvinden; de ‘time to market’ is nu helaas teruggebracht tot een paar jaar of soms zelfs een paar maanden. Voor prestigestrijd of territoriumconflicten tussen instituten is dus ook domweg geen tijd meer!

Wordt er dan geen onderzoek en ontwikkeling meer gedaan? Zeker wel, maar anders en op andere plaatsen dan we gewend waren. Voor een nieuw produkt of dienst, met een combinatie van nieuwe technieken en vindingen, wordt nu een team in elkaar gezet met de beste mensen die er op ieder benodigd gebied in de wereld te vinden zijn. Die moeten dan in korte tijd, in parallel, onderzoek, ontwikkeling, produktie en verkoop op poten zetten. Dat wordt via gemeenschappelijke computermodellen en via het netwerk gecoordineerd. Wijzigingen ergens in het bouwerk hebben immers effect op het ontwerpdeel van andere teamleden. Zoiets heet een virtueel bedrijf. Wil je daar aan deelnemen dan moeten ze je kunnen vinden en moet je dus een bepaalde aantoonbare goede kennis of kunde meebrengen. Dat werkt via netwerken van kennis en kennissen, via Internet en Intra-netten. Het patroon van samenwerkingsketens die over de oude grenzen heenreiken en sneller en verderweg uitwerken herhaalt zich natuurlijk ook binnen organisaties en bij de eigen interne technici.

2.3 Situatie binnen de Informatie Technologie (IT) in bedrijven

Als we binnen bedrijven kijken naar de toepassingen van informatie- en communicatiegereedschappen dan zien we ook daar turbulente overgangen waarbij culturele grenzen overbrugd moeten worden. Er zijn twee hoofdgroepen te ontwaren, de computermensen en de verbindelaren.

De eerste populatie bouwt en onderhoudt de administratieve, fabrieks en zakelijke transactie-systemen. Deze zijn van levensbelang voor een bedrijf : ‘mission-critical’. Nochthans wordt er over gekankerd en het management is doorgaans niet opgetogen over de enorme omvang en kostengroei van software-ontwikkeling en van gebruik van PC’s in netwerken. Die kosten houden geen tred met de perceptie van de baten. De IT mensen denken en doen systeem-centrisch (dat wil zeggen: computer en gegevensbestanden zijn uitgangspunt). De lange termijn trend in de IT is een verschuiving van Hardware oriëntatie naar Software en Informatie geweest. Maar nu verschuift de focus naar ‘Informatie Logistiek’: de netwerkfase.

De tweede populatie betreft de beheerders van de eigen telecommunicatiesystemen, zoals gebouwbekabeling en interne telefoonnetten, in beheer bij de technische dienst of afdeling facility management. Ze zijn structureel ondergewaardeerd en krijgen alleen aandacht in geval van storingen of klachten. De door hen voorgestelde noodzakelijke infrastructurele investeringen zijn zelden welkom bij de bewoners van de gebouwen.

Tussen de twee genoemde gebieden IT en Telecom in ontstaat recent een derde gebied dat als een heidebrand om zich heen grijpt en zich in een grote populariteit mag verheugen: Interne informele communicatie via een eigen Intra-net. Het vormt als het ware een smeermiddel tussen alle al bestaande componenten en deelnemers.

Via web-servers wordt informatie ontsloten en worden workflowkanalen dwars door de organisatie getrokken. Er worden bruggen geslagen naar de bestaande transactiesystemen en telecomnetten, bijv. voor telefonische services met behulp van callcenters. Het opzetten van dit soort netwerken betreft een wijze van bouwen die het gespiegelde is van de IT aanpak: de relaties en koppelingen tussen bouwstenen zijn het startpunt. Niet langer spreken we hier van informatie-verwerking maar van ‘relationship processing’.

Ziehier dus het werkgebied van de nieuwe leerstoel: het ontwerpen van bedrijfsnetten die eerder genoemde eilandactiviteiten met elkaar verbindt en er een goed werkend toekomstbestendig geheel van maakt. Volgens eerdergenoemd model zitten we binnen bedrijven dus eigenlijk nog in fase I: ad-hoc technisch economisch investeren. Veel van de projecten waar ik in deelnam betroffen inderdaad de opzet van een INTERNE PTT. Dat wil zeggen de overgang naar een bedrijfsbrede Informatie en Communicatie Infrastructuur met een onderlaag voor transmissie en switching [7] van Fase II en als we geluk hebben Fase III met diverse kwaliteiten (QoS’s via ATM). Ook hier is de hamvraag telkens: wat doen we samen en wat niet. Enkele voorbeelden zijn de definitie en technische architectuur van netwerken van Van Gend&Loos, AKZO, LNV: Agronet, AMRO bank, Schiphol, Defensie: NAFIN, SURFnet4, Belastingdienst: ON21, en TNOnet.

Een van de grootste bottlenecks voor de ontwikkeling van onze digitale karrespoortjes naar echte digitale snelwegen voor het bedrijfsleven ligt in de kwaliteit en de prijs van bandbreedte, dat wil zeggen hoge snelheid digitale huurlijnen in Europa voor de onderlinge koppeling van onze LAN’s en de koppeling van onze PABX’en.

De relatieve prijs/kwaliteit van hardware en nu ook software bevindt zich in een gezonde neerwaartse leercurve. De prijs van huurlijnen komt nog maar nauwelijks in beweging, terwijl de behoefte aan digitale bandbreedte explosief aan het groeien is. De tarieven voor huurlijnen staan niet meer in verhouding met de werkelijke snel dalende kostprijzen van glasvezelnetten die overal liggen of in aanleg zijn maar in toenemende mate braak-liggen. Met name de huurlijntarieven over de landsgrenzen heen vormen een politieke en kunstmatige barièrre die de economie in Europa schade berokkent. Zoals ik al eerder zei: ook de telecommunicatie industrie wordt een gewone bedrijfstak waarin mededinging ontstaat. Ik voorspel bij deze dat de huurlijntarieven in de komende 7 jaar met een factor 100 zullen dalen en daarmee de leveranciers daarvan nog steeds een goed belegde boterham zullen bezorgen. Met deze strijd voor Betere Bandbreedte waar de maatschappij node op zit te wachten, voel ik een sterke verwantschap met het zinnebeeld van deze Universiteit: Prometeus. Hij immers ontfutselde het vuur aan de goden op de Olympus en bracht het terug bij de mensen verstopt in een rietstengel: de eerste fiber-optic lichtgeleider mag ik wel zeggen.

3. Waar worstelen we mee. Hoe over-bruggen we dat

Op het gevaar af dat ik voor vele toehoorders de pijngrens reeds bereikt heb, wil ik, voordat ik u het goede nieuws van de remedies kan verkondigen, toch de issues in de probleemstelling voor mijn vakgebied zo kernachtig mogelijk opsommen.

    • Problemen/ knelpunten in ICT zijn een herhaald patroon van ‘eilanden’: autonomie en introvertie, eigen standaards, ad-hoc oplossingen door haast.
    • die ‘eilanden’ zijn: professionals, autonome business units, een groep autonome bedrijven in een bedrijfstak, overheden en zelfstandige landen.
    • bij LAN-LAN koppelingen, multimedia content formats is er gebrek aan samenhang / architectuur. Zonder centraal architectuurbeleid kunnen ad-hoc initiatieven op een bepaalde plaats wel ergens anders in het netwerk tot zeer hoge kosten aanleiding geven. Gebrek aan technologisch inzicht in het managementteam wreekt zich vroeg of laat [8]. Voorbeelden van komende simpele wensen met grote gevolgen:
      • Mobiele telefoons met GSM én DECT zodat het apparaat op kantoor via de PABX belt.
      • De spoedige komst van grote aantallen goedkope Network Computers (NC’s) waardoor een enorme investering in servers en netwerkcapaciteit gedaan moet worden.
      • Videocamera IC en microfoons ingebouwd in PC’s. Ook hierdoor zullen de huidige netwerken bijkans in capaciteit verveelvoudigd moeten worden.

Dit zijn allemaal simpele kleine apparaatjes die net als paddestoelen de kop op zullen steken maar die wel een enorm Mycelium (dradenstelsel) onder de grond vereisen om te groeien. Een infrastructuur is helaas moeilijk op basis van losse applicatie projecten te motiveren. De baten van een infrastructuur liggen vaak elders. Daarom moet op hoog niveau iemand het overzicht bewaren en op het juiste moment voor-investeringen plegen. De bandbreedtebehoefte zal snel toenemen.

  • Een goed ontworpen ICT infrastructuur is niet één en al werk voor ‘controlaholics’. Het biedt juist enorm veel ruimte voor flexibiliteit en complexiteit. Het moet juist de onverwachtse interrupts en wensen kunnen ondersteunen en ook uitbreidbaar zijn.
  • Duurzaam geldige architectuur voor die dingen die werkelijk belangrijk zijn.
  • VB: Internet adressering, protocollen
  • De afhankelijkheid van netwerken voor de dagelijkse werkzaamheden van bedrijven neemt toe en daarmee de kwetsbaarheid door storingen.
  • Grote impact zakelijk en intern van Internet op bedrijven: VB. CD winkels merken het al: binnen twee 2 dagen heb je de via Internet bestelde CD thuis.

Hoe maken we van bovenstaande chaos van snippers nu een weefsel? Welke magische formules moeten we prevelen om al deze groepjes mensen van leveranciers, klanten, technici, zakenlui en managers in de netwerken van bedrijven en via de bedrijfsnetten ‘aan de praat’ te krijgen???

4. Oplossingsrichting naar de toekomst, opbloei over grenzen

Sleutel voor welvaart op bijna elk terrein, zoals in de VOCtijd, blijkt te zijn: lage transactiekosten [9]. De moeite ofwel de kosten om anderen in te schakelen om betrouwbaar iets te laten doen moeten lager zijn dan als we het zelf doen.

Dit principe zien we dan ook met succes aan het werk in bovengenoemde netwerken van bedrijven en de virtuele samenlevingen in opbouw. Drivers om die transactiekosten omlaag te krijgen zijn verbeterde bereikbaarheid, meer zinvolle communicatie, en verbeterde kennis-logistiek. Alledrie kunnen dramatisch effectiever gemaakt worden via telecom netwerken. Ik bespreek ze hierna kort.

4.1 BEREIKBAARHEID

** Er moet dringend iets gedaan worden aan de externe bereikbaarheid van organisaties. Verbetering daarvan met behulp van communicatietechnologie kan tot belangrijke positieve resultaten voor alle betrokkenen leiden. **

Die ‘externe bereikbaarheid’ daar bedoel ik niet alleen de spreekwoordelijke gebrekkige dienstverlening van Nederlandse obers mee. Ook gaat het een stuk verder dan alleen maar het moeilijk te vinden zijn in gidsen of adresboeken. Op zichzelf is dat al schadelijk genoeg. Neen, waar ik op doel is een wijdverbereidde introvertie, een ‘glorieus met zichzelf bezig zijn’, een mentaal eilanddenken. Een voorbeeld van dit zelf-centrisch denken:

gemeenteambtenaren die zeggen grote belangstelling te hebben voorontsluiting van gemeentelijke informatie via een Digitale Stad omdat ze dan zelf eindelijk die Raad-stukken ook kunnen lezen. Maar vragen van burgers via communicatie in het Net, neen dat hebben ze liever niet.

Zulke gebrekkige toegankelijkheid ofwel geringe bereidheid tot ‘aanspreekbaar zijn’ vinden we op elke schaalgrootte van organisaties. Als land, als bedrijf, als afdeling, als mens. Bij verschillende netwerken die ik hielp ontwerpen werd mij gemeld dat het grootste probleem het loskrijgen binnen een maand van een A4′tje met gegevens, twee deuren verder op de gang is.

Deze lage ‘bereikbaarheid’ is zeer schadelijk, hoewel men zich er meestal niet van bewust is. Hoevelen van u hebben bij het telefoonnummer het landnummer van Nederland op hun vistitekaartje staan? Kleinigheden ik weet het, maar ze maken een wereld van verschil, en niet alleen in het bureaucratische land Absurdistan.

Er staat erg veel op het spel. Zoals ik reeds stelde heeft de Sociaal Economische Raad recent [5] gewezen op de doorslaggevende rol die de ‘infrastructuur voor kennisuitwisseling en opleiding’ heeft voor onze welvaartsgroei. Ons aller toekomst is dus afhankelijk van kennis die op het juiste moment op de juiste plaats aanwezig moet kunnen zijn. Deze kennis moet niet opgesloten zijn maar toegankelijk en bruikbaar voor mensen die met elkaar samenwerken en communiceren.

**Succes van een organisatie wordt bepaald door de kwaliteit van derelaties die ze met haar buitenwereld onderhoudt.**

Ik zal het nog wat concreter maken en zelfs meetbaar. Een maat voor de bereikbaarheid van een organisatie is: B= T/ (U * D). Waarbij U het aantal keren is dat u wordt doorverwezen naar iemand anders als u een eenvoudige vraag aan een organisatie stelt. Bijvoorbeeld: “Hoeveel ingenieurs heeft uw organisatie in dienst ?”
T is de tijd waarbinnen u (voor uw werk) antwoord op de vraag nodig hebt en D is de tijd die het werkelijk neemt tot u een voor u bruikbaar antwoord heeft. Op zichzelf is dat doorverwijzen niet slecht maar het aantal stappen hoort, als het goed gedaan wordt, maximaal zes te zijn. De tijdsduur is duidelijk relatief (T/D). Sommige vragen mogen best even uitstaan, bijvoorbeeld via E-mail.

Laat uw eigen organisatie eens op deze wijze doormeten, bijvoorbeeld door een kennis naar uw kantoor te laten bellen met een vraag als de eerdergenoemde. Ik weet zeker dat u van het resultaat van deze meting zal schrikken. Ik ken bedrijven met een bereikbaarheid nul. Na vele doorverwijzingen gaf men het simpelweg op of snauwde men me toe ‘waarom ik dat dan precies wilde weten’. Er zijn trouwens ook zeer goed bereikbare en goed aanspreekbare bedrijven te vinden moet ik er haastig aan toevoegen.

Een voorbeeld van dringend nodige verbeteringen van erbindingen met ‘extern’. Weinig is voor de toekomst van Nederland zo belangrijk als haar verbindingen met het buitenland: internationale wegen en digitale huurlijnen. Het verdient daarom aanbeveling datanetten op Schiphol en in de Rotterdamse haven aan te besteden met zeer betaalbare hogesnelheid digitale lijnen naar buitenlandse hoofdsteden .

4.2 BETER COMMUNICEREN

Met beter communiceren bedoel ik niet enkel de externe communicatie van de PR afdelingen of persvoorlichters. Die is vaak goed maar heeft het karakter van eenrichting verkeer naar buiten en soms zelfs van een commercieel opdringerig bombardement: ‘spamming’ genaamd. Behalve goed bereikbaar zijn moet er, na genoemd contactmaken, een goed geprek volgen. Dat vereist actieve interesse van beide kanten. Je inleven in wat anderen, buitenstaanders, willen en zien, dat is communicatie. Met andere woorden het vereist dat je je kan verplaatsen in de positie van je geprekspartner.

Een probleem is dat in organisaties een ongelofelijke hoeveelheid kennis en oplossingen klaarliggen maar dat die onvindbaar zijn. Of omdat men niet reageert op problemen die extere hulpvragers aandragen. De meest succesvolle recente bedrijven (Cisco, Novell, LACIS) weten domweg niet alles en zitten dus niet achter een loketje knap te wezen, maar leren samen met en van klant-problemen.

Het meeleven en je inleven in anderen is zoals in de legende van de Heilige Graal. De ridder behoort aan de graalkoning in het dorre land ‘De magische Vraag’ te stellen: “wat is uw probleem, wat kan ik voor jullie doen?” Dan pas bloeit het steriele land van de koning op. De griekse wijsgeer Epictetus zei immers al: “Niemand wane bemind te zijn, die zelf niemand bemint.”

Dit geinteresseerd meeleven ofwel ‘empathie’ heeft niets met altruïsme te maken maar is puur tweede orde eigenbelang. Als je even doordenkt zie je meteen het nut. Het is simpel uitvoerbaar en het werkt :

*** je moet van buiten naar binnen kijken in je organisatie en behalve

bereikbaar zijn ook nog iets kunnen betekenen voor anderen**

Het werkt via netwerken als een speer.

4.3 KENNIS LOGISTIEK

Succes in de kennismaatschappij wordt niet alleen bepaald door het inrichten van top-kenniscentra zoals het TRC (Telematica Research Centrum). Het zijn de combinaties die gemaakt worden voor het tackelen van een bepaald specifiek probleem. Men moet elkaar via netwerken en kennislogistiek versterken. De kracht van zo’n netwerk zit niet de nodes/centra alleen: de boodschap zit in de verbindingen! Dat is de derde magische formule. We moeten dus gaan doen aan ‘relationship management’ [10] (relatiebeheer): Object & Links tussen objects aanbrengen, en dan berichtobjects gaan uitwisselen (Java applets, documenten).

AKTIE voorstel 1:

De drie eerder genoemde beleids initiatieven van de overheid ietsje mentaal ‘verlengen’:

  • NAP overheid voor elektronische snelwegen -> een netwerk van netwerken (ON21 , OB2000, etc) wat dwars door de gehele overheid loopt en aansluit op de kennisnetwerken van burgers en bedrijven [4]
  • SER: het belang van kennisinfrastructuur [5] -> ook communicatie netwerken zijn daar voor nodig !
  • Kabinet: wil gaan investeren in infrastructuren, fysieke infrastructuren —> ook kennisinfrastructuren

En vervolgens RELATIES tussen deze drie aanbrengen. Dan gaan dingen pas echt lopen in de Nederlandse samenleving en economie. Deze ‘corridoraanpak’ is vergelijkbaar met wat Natuurbeheer tegenwoordig doet: verbindingsstroken tussen bossen maken zodat onder andere wild en plantezaden zich over alle stukken bos kunnen verspreiden.

AKTIE aanbeveling 2:

Maak in uw bedrijf een ‘tussenschil’, tussen de vertrouwelijke bedrijfseigen omgeving en de volledig voor het publiek open externe info-etalage, voor transacties en samenwerking met partners van buiten. Een transactielaag waar deelnemers van buiten en van binnen samen in teams kunnen werken en informatie kunnen uitwisselen via een intranet, met behulp van workflowtools, java-agents en intelligente callcenters.

Netweven = bouwen aan synergie. Het geeft een kick als dingen opeens gaan lopen, bits gaan stromen, door het simpel toevoegen van een paar ‘lijnen’ tussen dingen die er al lang waren.

5. De leerstoel

Het succesvolle Nederlandse bedrijf LACIS, gevestigd in Utrecht, is de op een na grootste leverancier van huistelefooncentrales in ons land. Bovendien leveren ze datanetten en videocommunicatie systemen. Een paar jaar geleden heeft LACIS, na een grondige aanbesteding door het RekenCentrum, het nieuwe telefoonstelsel van de TU Delft mogen leveren. LACIS heeft toen als cadeau een deeltijdleerstoel aan de TUD aangeboden. Na de gebruikelijke selectieprocedure ben ik gekozen om deze leerstoel te bezetten. Voor een goed begrip van hoe dat tegenwoordig werkt is het nuttig om te weten hoe dat binnen de verschillende ‘laboratoria’ van de faculteit in elkaar zit. Elk laboratorium heeft:

een voltijdse kernleerstoel
een of meer deeltijdse speerpuntleerstoelen
een of meer toepassingsgerichte deeltijdse leerstoelen

Mijn leerstoel is van die laatste soort, en werkt als een brug naar de praktijk, door cases te bespreken en ‘berichten’ van het zeer turbulente netwerkfront binnen te brengen.

De aanstelling om het ontwerpen van communicatie-infrastructuren binnen en tussen bedrijven te doceren en hieraan onderzoek te doen, op de LACIS-leerstoel ‘Telecommunicatie in het bijzonder voor Bedrijfsdoeleinden’ aan de TU Delft, aanvaard ik met genoegen en met dank aan allen, binnen en buiten de Universiteit, die zich voor deze benoeming hebben ingezet.

6. Interconnecties

Geachte leden van het College van Bestuur,

Ik dank u voor het in mij gestelde vertrouwen bij mijn benoeming. Ik hoop een waardige en nuttige bijdrage te leveren aan de ‘ideeën economie’ [3] waar de TU Delft deel van uitmaakt. Iedereen vergaapt zich altijd aan de top-kampioenen, the champions. Maar champions zijn paddestoelen en die zijn dus slechts knobbeltjes aan het werkelijke weefsel van wortels en draden van de plant. Ik ambieer slechts om wat extra draadjes tussen de kenniscentra te mogen helpen aanbrengen.

Geachte hoogleraren en medewerkers van de Faculteit Elektrotechniek,

Onze faculteit is van nature de meest Wired faculteit en ja het vak wat ik doe is wel degelijk van toepassing op electronica en informatietechnieken, zie bijvoorbeeld recent het bakken van JavaChips. In mijn ogen betreft de faculteit het werkgebied van ‘elektronen-logistiek’ , ‘bit-logistiek’ en ‘kennislogistiek’.

De geïnteresseerde medewerking die ik binnen de vakgroep Telecommunicatie- en Verkeerssystemen (TVS) al heb mogen ondervinden heeft er voor gezorgd dat ik met plezier aan mijn nieuwe deeltijdbaan in deze vakgroep ben begonnen. Mijn vak zit geweldig in de lift en ik hoop jullie daarin mee te kunnen trekken.

Hooggeleerde Arnbak,

Beste Jens, groot is mijn respect voor je integriteit en loyaliteit aan het algemeen belang plus je vaak betoonde persoonlijke moed. Je durf voor de muziek uit te lopen zoals je deed al jaren geleden toen velen de door jou aangekondigde groei in ‘wireless’ niet wilden geloven. Ook je gelijk met betrekking tot de door jou veel getoonde schema’s, met daarop cirkels met de omvang van telecomdiensten, begint pas recent tot mensen door te dringen. Ik verheug me op een vruchtbare samenwerking wellicht door onze respectievelijke ‘netwerken’ te koppelen.

Weledelgestrenge van Iersel,

Beste Frank, bijna dagelijks ondervindt ik de zegeningen van je inzet en wijsheid die het werken bij Stratix tot een interessante en leerzame ervaring maken. Ieder van ons bij het bureau zou zelf een goed lopend eenmansbedijfje kunnen vormen, als netwerk-commando’s tot de tanden gewapend en gehard in de strijd. Jij en de andere collega’s, plus de zeer goed communicerende dames van het kantoor op Schiphol maken het echter veel aantrekkelijker om als teams hard te werken aan adviesopdrachten en om te genieten van de gesprekken aan onze ronde tafel. De recente ‘netwerkconnectie’ met de gedreven adviseurs van Arthur D. Little, die ook op deze Universiteit actief zijn, begint al vruchten af te werpen voor ons allen.

Dames en heren studenten (mijn klantenkring)

In de meest ruime zin is de prevalente cultuur van de huidige maatschappij die van de Internet/WIRED-generatie , vergelijkbaar met de popcultuur uit mijn jeugd. Voor popmuziek was er en is er nog steeds geen conservatoriumopleiding en dat is misschien wel goed ook. Er zijn tienduizenden rockbandjes in dit land, een echte bottom-up beweging[11]. Toch hebben de sterren vaak eerst conservatorium gedaan, maar ze hebben bovendien een heilig vuur, een obesssie voor hun vak en muziek in hun eigen hoofd. Ze hebben iets ontwikkeld, een basiskennis of -kunde die bijdraagt aan de band. Dat is wat ik jullie, studenten ook toewens. Cyberspace heeft ook z’n eigen taal, kunst en codes. Zodadelijk direct na deze rede zal ik een prijs uitreiken aan een van de aankomende sterren van deze ‘netwerktijd’, de Internet- cultuur zal daardoor hoop ik weer een beetje aan erkenning winnen.

In mijn leven heb ik onbeleefd veel geluk gehad en zo ook met mijn echtgenote. Zonder haar was ik nu nog bezig met de propaedeuse. Het leven met mij is lastig voor haar omdat ik thuis vaak even ONbereikbaar wil zijn. Josine zorgt voor de sociale contacten, heeft een respectabele mensenkennis en is de drijvende kracht achter alles wat ik doe. Ik ben trots op haar en op de kinderen.

Aan allen hier aanwezig, ook de velen die ik niet heb kunnen noemen, dank, dank voor uw aandacht en ik wens u goede verbindingen.

Referenties

[1] Jurg en Zegwaart, ‘Het Internet als digitale snelweg- de realiteit’, 1995, Otto Cramwinkel Uitgever.

[2] Eli Noam in ‘Pacific Basin Telecom Policies Examined’, Transnational Data and Communications Report, Febr. 1989, pag 9.

[3] Kevin Kelly, ‘The Economics of Ideas’ – interview met Paul Romer, WIRED, June 1996, pag. 148 e.v.

[4] Van Till, ‘Overheid in de Overgang’, in I&I , jaargang 1996-1, ook op http://www.cram.nl/i&i/960103.htm

[5] Persbericht van de SER over het ontwerp-advies ‘Kennis en Innovatie: sleutels voor duurzame groei en meer werk’ van de subcommisssie Sociaal-Economisch Beleid, vz. De Vries; 24 mei 1996.

[6] Boynton, ‘The Helix: Stages of corporate development’, IBM Systems Journal, 1993-I.

[7] Van Till, ‘Visions on the combination of SDH, ATM and LANs as seen from the customer side’, Proceedings of the IFIP TC6 / ICCC Conference on Integrated Broadband Communication Networks and Services, Copenhagen, April 1993, Ed: V.B.Iversen, ©1993 IFIP, Elsevier.

[8] Daniel.M. Gasparro, ‘The Technology Deficit’ – it could be costing your company millions- ; Network Planning section, Data Communications, Oct.1995, pp.60-68.

[9] Douglas C. North, ‘Economic Performance Through Time’, Nobel Prize lecture in Economic Science, © Nobel Foundation 1993.

[10] Peter Schwartz, ‘R-Tech’, interview met Albert Bressand en Catherine Distler (Prométhée, Fr.) over ‘relationship technology’ en hun boek ‘La Planète Relationelle’, WIRED, June 1996, pag 138-139.

[11] Van Till en Op Hey, ‘Prosumer Networks’, in ‘Concerning Home Telematics’; Proc.of the IFIP TC9 Conf. of Home Interactive Telematics, June 1987, North-Holland, pp.361-369.

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Encountering the Other

kapudinges

As mentioned in the blog before this, I do post here the full text of this very important lecture by Ryszard Kapuscinski  It forms the basis of my Van Till’s Principle (VTP) 

=============================================================

Encountering the Other  

http://www.digitalnpq.org/archive/2005_fall/02_kapuscinski.html

 

Encountering the Other: The Challenge for the 21st Century

Ryszard Kapuscinski, the famed literary journalist and member of NPQ’s advisory board, is author of such works as Shah of Shahs and The Emperor. The following is based on the opening lecture to the summer session at Jagiellonian University, in Krakow.

Krakow , Poland — The encounter with the Other, with other people, has always been a universal and fundamental experience for our species.

Archaeologists tell us that the very earliest human groups were small family-tribes numbering 30 to 50 individuals. Had such a community been larger, it would have had trouble moving around quickly and efficiently. Had it been smaller, it would have found it harder to defend itself effectively and to fight for survival.

So here is our little family-tribe going along searching for nourishment, when it suddenly comes across another family-tribe. What a significant movement in the history of the world, what a momentous discovery! The discovery that there are other people in the world! Until then, the members of these primal groups could live in the conviction, as they moved around in the company of 30 to 50 of their kinfolk, that they knew all the people in the world. Then it turned out that they didn’t—that other similar beings, other people, also inhabited the world! But how to behave in the face of such a revelation? What to do? What decision to make?

Should they throw themselves in fury on those other people? Or walk past dismissively and keep going? Or rather try to get to know and understand them?

That same choice that our ancestors faced thousands of years ago faces us today as well, with undiminished intensity—a choice as fundamental and categorical as it was back then. How should we act toward Others? What kind of attitude should we have toward them? It might end up in a duel, a conflict or a war. Every archive contains evidence of such events, which are also marked by countless battlefields and ruins scattered around the world.

All this is proof of man’s failure—that he did not know how, or did not want, to reach an understanding with Others. The literature of all countries in all epochs has taken up this situation, this tragedy and weakness, as subject matter of infinite variety and moods.

But it might also be the case that, instead of attacking and fighting, this family-tribe that we are watching decides to fence itself off from others, to isolate and separate itself. This attitude leads, over time, to objects like the Great Wall of China, the towers and gates of Babylon, the Roman limes and or the stone walls of the Inca.

Fortunately, there is evidence of a different human experience scattered abundantly across our planet. These are the proofs of cooperation—the remains of marketplaces, of ports, of places where there were agoras and sanctuaries, of where the seats of old universities and academies are still visible, and of where there remain vestiges of such trade routes as the Silk Road, the Amber Route and the Trans-Saharan caravan route.

All of these were places where people met to exchange thoughts, ideas and merchandise, and where they traded and did business, concluded covenants and alliances, and discovered shared goals and values. “The Other” stopped being a synonym of foreignness and hostility, danger and mortal evil. People discovered within themselves a fragment of the Other, and they believed in this and lived confidently.

People thus had three choices when they encountered the Other: They could choose war, they could build a wall around themselves, or they could enter into dialogue.

Over the expanse of history, mankind has never stopped wavering among these options, and, depending on changing times and cultures, has chosen one or the other; we can see that mankind is fickle here and does not always feel certain, does not always stand on firm ground. War is hard to justify. I think that everyone always loses because war is a disaster for human beings. It exposes their incapacity for understanding, for putting themselves in the shoes of others, for goodness and sense. The encounter with the Other usually ends tragically in such cases, in a catastrophe of blood and death.

The idea that led people to build great walls and gaping moats, to surround themselves with them and fence themselves off from others, has been given the contemporary name of apartheid. This concept has been erroneously confined to the policies of the now-defunct white regime in South Africa. However, apartheid was already being practiced in the earliest mists of time. In simple terms, proponents of this view proclaim that everyone is free to live as he chooses, as long as it’s as far away from me as possible, if he isn’t part of my race, religion or culture. If that were all!

In reality, we are looking at a doctrine of the structural inequality of the human race. The myths of many tribes and peoples include the conviction that only we are human—the members of our clan, our community—while others, all others, are subhuman or aren’t human at all. An ancient Chinese belief expressed it best: A non-Chinese was regarded as the devil’s spawn, or at best as a victim of fate who did not manage to be born Chinese. The Other, according to this belief, was presented as a dog, as a rat, as a creeping reptile. Apartheid was and still is a doctrine of hatred, contempt and revulsion for the Other, the foreigner.

How different was the image of the Other in the epoch of anthropomorphic beliefs, the belief that the gods could assume human form and act like people. Back then you could never tell whether the approaching wanderer, traveler or newcomer was a person or a god in human guise. That uncertainty, that fascinating ambivalence, was one of the roots of the culture of hospitality that mandated showing all kindness to the newcomer, that ultimately unknowable being.

Cyprian Norwid writes about this when he ponders, in his introduction to The Odyssey, the sources of the hospitality that Odysseus encounters on his journey back to Ithaca. “There, with every beggar and foreign wanderer,” Norwid remarks, “the first suspicion was that he might have been sent by God….No one could have been received as a guest if the first question were: ‘Who is this newcomer?’ But only when the divinity in him was respected did the human questions follow, and that was called hospitality, and for that very reason it was numbered among the pious practices and virtues. There was no ‘last among men!’ with Homer’s Greeks—he was always the first, which means divine.”

In this Greek understanding of culture, cited by Norwid, things reveal a new significance that is favorable to people. Doors and gates are not only for closing against the Other—they can also open for him and welcome him inside. The road need not serve hostile columns; it can also be a highway along which one of the gods, in pilgrim’s garb, comes to us. Thanks to such an interpretation, the world we inhabit starts being not only richer and more diverse, but also kinder to us, a world in which we ourselves will want to encounter the Other.

Emmanuel Levinas calls the encounter with the Other an “event,” or even a “fundamental event,” the most important experience, reaching to the farthest horizons. Levinas, as we know, was one of the philosophers of dialogue, along with Martin Buber, Ferdinand Ebner and Gabriel Marcel (a group that later came to include Jozef Tischner), who developed the idea of the Other as a unique and unrepeatable entity, in more or less direct opposition to two phenomena that arose in the 20th century: the birth of the masses that abolished the separateness of the individual, and the expansion of destructive totalitarian ideologies.

These philosophers attempted to salvage what they regarded as the paramount value, the human individual—me, you, the Other, the Others—from being obliterated by the actions of the masses and of totalitarianism (which is why these philosophers promoted the concept of “the Other” to emphasize the differences between one individual and another, the differences of non-interchangeable and irreplaceable characteristics).

This was an incredibly important movement that rescued and elevated the human being, a movement that rescued and elevated the Other, with whom, as Levinas suggested, one must not only stand face to face and conduct a dialogue, but for whom one must “take responsibility.” In terms of relations with the Other and Others, the philosophers of dialogue rejected war because it led to annihilation; they criticized the attitudes of indifference or building walls; instead, they proclaimed the need—or even the ethical obligation—for closeness, openness and kindness.

In the circle of just such ideas and convictions, a similar type of inquiry and reflection, a similar attitude, arises and develops in the great research work of a man who did his undergraduate work and went on to earn a Ph.D. at Jagiellonian University, and who was a member of the Polish Academy of Sciences—Bronislaw Malinowski.

Malinowski’s problem was how to approach the Other, not as an exclusively hypothetical and abstract entity, but as a concrete person belonging to a different race, with beliefs and values different from ours, and with his own culture and customs.

Let us point out that the concept of the Other is usually defined from the white man’s—the European’s—point of view. But today, when I walk through a village in the mountains of Ethiopia, a crowd of children runs after me, pointing at me in merriment and calling out: “Ferenchi! Ferenchi!”—which means “foreigner, other.” This is an example of the dismantling of the hierarchy of the world and its cultures. Others are indeed Others, but for those Others, I am the one who is Other.

In this sense, we’re all in the same boat. All of us inhabitants of our planet are Other for Others—Me for Them, and Them for Me.

In Malinowski’s era and in the preceding centuries, the white man, the European, left his continent almost exclusively for gain—to take over new land, capture slaves, trade or convert. These expeditions, at times, were incredibly bloody— Columbus conquering America, and then the white settlers, the conquest of Africa, Asia and Australia.

Malinowski set out for the Pacific islands with a different goal—to learn about the Other. To learn about his neighbor’s customs and language, and to see how he lived. He wanted to see and experience this for himself, personally—to experience it so that he could later tell about it. It might seem like an obvious undertaking, yet it turned out to be revolutionary and it stood the world on its ear.

It laid bare a weakness or perhaps simply a characteristic that appears to a differing degree in all cultures: the fact that cultures have difficulty understanding other cultures, and that people belonging to a given culture—the participants in and carriers of that culture—have this difficulty. Namely, Malinowski stated after arriving at his research site in the Trobriand Islands that the white people who had lived there for years not only knew nothing about the local people and their culture, but also, in fact, held an entirely erroneous image characterized by contempt and arrogance.

He himself, as if to spite all colonial customs, pitched his tent in the middle of a local village and lived among the local people. What he experienced turned out to be no easy experience. In his A Diary in the Strict Sense of the Term, he continually mentions problems, bad moods, despair and depression. You pay a high price for breaking free of your culture. That is why it is so important to have your own distinct identity, and a sense of your own strength, worth and maturity. Only then can you confidently face a different culture. Otherwise, you will withdraw into your own hiding place and timorously cut yourself off from others.

All the more so because the Other is a mirror into which you peer, or in which you are observed, a mirror that unmasks and denudes, which we would prefer to avoid. It is interesting that, while the First World War was under way in Malinowski’s native Europe, the young anthropologist was concentrating on research into the culture of exchange, contacts and common rituals among the inhabitants of the Trobriand Islands, to which he devotes his excellent Argonauts of the Western Pacific, and formulating his important thesis, so seldom observed by others, that “to judge something, you have to be there.”

Malinowski advanced another thesis, incredibly bold for its time: namely that there is no such thing as a higher or a lower culture—there are only different cultures, with varying ways of meeting the needs and expectations of their participants. For him, a different person, of a different race and culture, is nevertheless a person whose behavior, like ours, is characterized by dignity, respect for acknowledged values and respect for tradition and customs.

While Malinowski began his work at the moment of the birth of the masses, we are living today in the period of transition from that mass society to a new, planetary society. Many factors lie behind this—the electronics revolution, the unprecedented development of all forms of communication, the great advances in transport and movement, and also, in connection with this, the transformation at work in the consciousness of the youngest generation and in culture broadly conceived.

How will this alter the relations between us, the people of one culture, and the people of some other culture, or of Other cultures? How will this influence the I-Other relationship within my culture and beyond it? It is very difficult to give an unequivocal final answer, since the process is ongoing and we ourselves, with no chance for the distance that fosters reflection, are immersed in it.

Levinas considered the I-Other relation within the bounds of a single, racially and historically homogeneous civilization. Malinowski studied the Melanesian tribes at a time when they were still in their primal state, not yet violated by the influence of Western technology, organization and markets.

Today, this is ever less frequently possible. Cultures are becoming increasingly hybridized and heterogeneous. I recently saw something astonishing in Dubai. A girl, surely a Muslim, was walking along the beach. She was dressed in tight jeans and close-fitting blouse, but her head, and only her head, was covered so hermetically that not even her eyes were visible.

Today there are whole schools of philosophy, anthropology and literary criticism that devote their major attention to hybridization and linking. This cultural process is under way especially in those regions where the borders of states are the boundaries of different cultures, such as the American-Mexican border, and also in the gigantic megalopolises (like Sao Paolo, New York or Singapore) that are home to populations representing the most variegated cultures and races. We say today that the world has become multiethnic and multicultural not because there are more of these communities and cultures than before, but rather because they are speaking out more loudly, with increasing self-sufficiency and forcefulness, demanding acceptance, recognition and a place at the round table of nations.

Yet the true challenge of our time, the encounter with the new Other, derives as well from a broader historical context. Namely, the second half of the 20th century was a time when two-thirds of humanity freed themselves of colonial dependency and became citizens of their own states that, at least nominally, were independent. Gradually, these people are beginning to rediscover their own pasts, myths and legends, their roots, their feelings of identity and, of course, the pride that flows from this. They are beginning to realize that they are the masters in their own house and the captains of their fate, and they look with abhorrence on any attempts to reduce them to things, to extras, to the victims and passive objects of domination.

Today, our planet, inhabited for centuries by a narrow group of free people and broad throngs of the enslaved, is filled with an increasing number of nations and societies that have a growing sense of their own separate value and significance. This process is often occurring amidst enormous difficulties, conflicts, dramas and losses.

We may be moving toward a world so entirely new and changed that our previous historical experience will prove to be insufficient to grasp and move around in it. In any case, the world that we are entering is the Planet of Great Opportunities. Yet these are not unconditional opportunities, but rather opportunities open only to those who take their tasks seriously and thus prove that they take themselves seriously. This is a world that potentially has a lot to offer, but that also demands a lot, and in which taking easy shortcuts is often the road to nowhere.

We will constantly be encountering the new Other, who will slowly emerge from the chaos and tumult of the present. It is possible that this new Other will arise from the meeting of two contradictory currents that shape the culture of the contemporary world—the current of the globalization of our reality and the current of the conservation of our diversity, our differences, our uniqueness. The Other may be the offspring and the heir of these two currents.

We should seek dialogue and understanding with the new Other. The experience of spending years among remote Others has taught me that kindness toward another being is the only attitude that can strike a chord of humanity in the Other. Who will this new Other be? What will our encounter be like? What will we say? And in what language? Will we be able to listen to each other? To understand each other?

Will we both want to appeal, as Joseph Conrad put it, to what “speaks to our capacity for delight and wonder, to the sense of mystery surrounding our lives; to our sense of pity, and beauty, and pain; to the latent feeling of fellowship with all creation—and to the subtle but invincible, conviction of solidarity that knits together the loneliness of innumerable hearts: to the solidarity in dreams, in joy, in sorrow, in aspirations, in illusions, in hope, in fear, which binds men to each other, which binds together all humanity—the dead to the living and the living to the unborn.”

 

Fall 2005 issue of NPQ.org

Copyright (c) 1969-2001. Center for the Study of Democratic Institutions  Info@NPQ.org

============================

PS. In this strong lecture there are echo’s of The Other / Autre ethics philosophy of Emmanuel Levinas, see:  http://en.wikipedia.org/wiki/Levinas

Posted in ExtraOrdi, flocking, Uncategorized, Van Till's Principle, Wealth creation | Tagged , , | Leave a comment

Van Till’s Principle (VTP) of Maximum Well-Connectedness

Public domain photo Today, July 14, marks the celebration of the start of the French Revolution in 1789 by the storming of the Bastille Prison in Paris. The population started to turn (revolve) the tables on the aristocracy and the power of the roman catholic nomenclatura. I have the honor on this day to announce my guiding principle to help us get into an era of synergy and wealth creation. This principle may not start a revolution but at least it may change the mindset of many people, away from pure inward looking & self centeredness.

I define my Principle of Maximum Well-Connectedness as: “Connect and cooperate with the most extraordinary, the maximally different and unexpected, because the Vitality of an Entity (*) depends on the Quality of its EXTERNAL Relations, which can make it part of something bigger with shared unique contributions in scope and scale” ~ Jaap van Till, July 14 2014.     (*) such an entity can be: an individual or a team, a skilled professional, a device (IoT), an IC, a computer, a smartphone, a car, a family, animals in herds, birds in swarms, fish in ‘schools’, a tribe, a house, a neighborhood, IT systems, Social Media, a business enterprise, a city, a P2P Commons, an organisation, a nation state, an empire.

People, individuals or in groups, have difficulty with this principle because generally they can more easily communicate and cooperate with those others that have the same closed cultural, corporal or religious filtered views and they tend to exclude others who do not only & purely confirm their views. The hate towards “those on the other side of the bridge” in Mostar (former Jugoslavia) even led them to blow up the ancient bridge between muslims and christians.

old bridge Mostar

 

This isolation of groups by boundaries is not very constructive since for ages on squares and bridges (like in Italian cities) people have mixed and matched while crossing to find skilled craftsmen to do tasks and ‘outsource’ jobs other people are better on. Not to mention Romeo and Julia who considered their connection more important than the fight between their tribes. The trick seems to be to distinguish clearly what you share (do together, non competitive) and what not (competitive, differentiator). And then: let “les extremes se touches” !

1. To explain this “Van Till’s Principle” (VTP) let me start with the caption on the picture above. The now extinct huge dino’s grew feathers and evolved into…. birds. But do not underestimate the small birds, they flocked together into swarms, their next evolutionary state of entity. So did bacteria, fungi, ants, trees, fish and dolphins. Together they can scale up, see, match patterns & react quickly to unexpected & complex changes in their environment. And what they learn is transferred to next generations of their cooperative. Links between their components transport food, energy and information. As Renan’s Law tells us: “everything wants to be connected”. Now the question for mankind is; can humans evolve too, and how, in a similar network-flocked way? Do we have a future on a global scale? Or will we be just another harmful extinct species, just a brief blip in the history of Nature? There is urgency here!

Not only in society distinct groups of people find it difficult to cooperate and even fight eachother, like football tribe hooligans do. In science and engineering they do not automatically understand each other in trans-sector/ cross discipline projects, with each their respective languages and mindframes and implicit assumptions/ prejudices. This phenomenon struck again in the Brain Function Simulation project of the EU. Neurologists and computer scientists at present seem to live on different planets . If I show a simple math formula in a PPT presentation to sociologists they go berserk. Same with graphics shown to legal people in my effort to explain tech, makes them stare in disbelief of dazzling complication. But other projects between specialists with different contributions from several universities and multiple small enterprises DO work together quickly and fruitfull partly online. Each participant must be proven to be one of the best in a particular skill AND willing and able to listen and correlate with the other unique participants. So Van Till’s Principle to constructively cooperate CAN work.

Indeed it seems that to make it work through DIALOGUE  or not: by fighting is a conscious decision by the individual or groups. The late Ryszard Kapuscinski explained this eloquently in Encountering the Other. I will post his speech in full in my next blogpage since I consider that text to be very important for our future. Remember that the opposite of love is ‘fear of the unexpected’, the uncontrolled, the extraordinary or the unrecognized. Hate is but a byproduct/ symptom of fear of the other(s).

From the fact that there is a conscious choice made between (binding or segmenting) or in other words: between [a constructive upwards spiral with help of the VTP] or [a destructive downwards spiral],  it follows that those who made that choice can be held accountable. This IMHO must be applied to the [Dick Cheney vs. Taliban] conflict and the [Israeli vs. Palestinians] conflict. And if the VTPrinciple is applied those spirals can be bend upwards.

#isrpal

What is needed to apply the VTP and create a New Renaissance, is on a wide scale, bottom up P2P civil society :

- Open up !! Drop the mental and physical boundaries.

- Apply Empathy. Put yourself in the shoes of the Other and see things from his/her maximum different VTP position perspective. Swap observations and ‘network’, which creates incentive to form an networked array telescope. Empathy leads to the Golden Rule, embedded in all religions: treat others they way you want to be treated.

- Have Courage instead of fear;

- Disobedience versus dictatorship  (as explained by the non violent action ideas of Gene Sharp: FDTD) and conservative vested interests;

- Large doses of Curiosity for extraordinary outliers and black swans that lead to research into nature,  explorations and visits to far away lands, like the travels of Marco Polo or the Odyssey.

Odysse 2. However, most “Western” people are egoistic, self centered and can not even see things outside a very small (group) circle and timeframe. And recent political history is not encouraging. Shocked by the flaws encountered in pure global neo-liberal capitalism, whose recipes do no longer seem to work, a kind of Retro Dreaming pops up. The idea that we can go back to the (slightly idealised):

* Old times of the 1970′s of middle class success and prospects reflected in old age parties.

* Inwards looking nationalism, which became visible in the last national MEP elections, especially the winners in the UK (UKIP) and France (Front National). Rather strange since borders are fading between ‘nation states’. The team members of the countries that competed in the World Championship Football are not all born there and in practice play in other countries. Nation states are outdated. People from many countries died in flight MH17. Most scientists are in ‘transnational teams’ until they get a Nobel Prize, which is a boost for national prestige and identity.

* The British Empire, see the legislation surrounding surveillance by GCHQ

* The American world rule by control, power and law-enforcement. See the handling of the NSA revelations.

* Retro Emperor Putin with his ideals of NovoRussia (Retro USSR) , invading Crimea and Ukraine.

* The declaration of IS (Islamic State) a Caliphate which is established by asking the civilians in its occupied territories four questions and if you can not answer them right, to show that you are a pure Sunni Moslim, your head is chopped off. So ALL other humans Kafirs (“unbeliever,” “disbeliever,” or “infidel”) must be killed. Even some Sunni tribe members are less than happy about this ISIS project.

* In Europe in several places Fascism is rearing its ugly head, like often in history when regimes have failed and or lost wars.

What have these trends in common? Closing off to the outside world, crushing of those with different views than the “leaders” have, beginning with journalists. And a never ending process of “ethnic cleansing” aka “religious purification” resulting in uniformity and obedience. In other words, the exact opposite, and possibly the mortal enemy, of the VTP approach. They separate , hunt down and crush exceptionals instead of binding them by VTP links. But they will fail. You can not go back in time. The “we against them” choice is the approach of losers. It does only destroy and it does not scale up. At he same time many governments are praying that things that where in crisis since 2008 will re-start (NL: Her-stel) again like the booming times before the crash. And they seem to be focussing on tangible goods and financial figures only, without looking at know-how values and by whom & how value is created. Money and its models are a simplification which gives controlaholics a comfortable feeling that they are relevant. Many layers of management and huge office buildings full of administrative zombies are getting less and less relevant, since the added value of the overhead is minimal. You can read in the Flashboys book and in The End of Power in what weird ways the big banks and  governments have tried to stay on top of the power hierarchies. 1% blues indeed!

Below the failing retro symptoms is the real problem which is facing us all. The real world is much much more complicated, non-linear and dynamic than our present governance and management systems can handle. They run into the limits imposed by Ashby’s Law of Requisite Variety. The terrifying consequence is that those failing systems and their central rulers do decide to cope with the weird dynamic complexity by simplifying reality by brute force and “stabilising” it by freezing any changes. “Shoot down anybody who is not part of your tribe or can be submissed by angst and force”. Former revolutionaries like pres. Tito where good at that. The ISIS wants to go back to the 11th century, why? “Stability”, the favorite situation of dictatorships favored by the CIA. At the same time it reduces countries to prisons and stagnating societies, unable to live, learn and evolve constructively.

3. Do we have a future instead of a repeated past? IMHO we can cope with dynamic, non-linear complexity by employing the VTP of inter-connection and cooperation of many decentral and authonomous parts of the reality in the world. Such “Worldwide Weave” . like an array antenna (e.g. LOFAR of Astron) can scale up and cope with complexity and quickly react to unexpectedness. It can employ economies of scale and scope.

It can improve situations and implement better solutions to problems by P2P Commons. It can handle intangibles and synthesize value by combinations and bridges between islands.

Bridge voor Blog T

How can we construct such VTP bridges ? Key is linking [short term self interest] to [long term common interest] and let it grow by having the total of contributions exceed what the entities take out. That is exactly how a P2P Commons function. Google, eBay and Twitter are examples of that. We do the work (enter searches, garage sale stuff and tweets) and they provide the cloud platforms.

Another key is the present trend of the shifting attention from ‘nodes’ (centres) to their DUAL: external “links”.

Binney

The value of Google is in its analysis of the links between tagged information items and documents. Knowledge is in the weavelets of wires and in their patterns of cooperation, as the NSA knows, see above lecture sheet by Bill Binney. As stated the VTP does not replace internal qualities but adds its dual: external relations.

Weavelet foto 2013-08-09 om 17.41.08The resulting collective intelligence of connected distributed smaller models can absorb dynamic complexity and learn like a brain can.

4. To start the journey to a better world I propose to take the following three clusters of actions that uses Van Till’s Principe of Maximum Well-Connectedness (VTP).

Action A. Take away/bypass the obstruction (the minimum factor that blocks or retards the whole system, like the terribly slow car in front of the row during a traffic congestion). This is a new version of Liebigs Law to other complex, non linear systems. That ‘law of the minimum’ was defined in 1828 to give directions to boost plant growth in plants, and had an enormous effect on fighting famines by improved crop growth.

Waterdripping

Water dripping system using used plastic water bottles, see www.iriso.fr

Action B. “Cherché La Matcher”! Build or improve the Matcher(s) which is/are embedded in every successful ‘living’ system.

Action C. Respect the Imperfect, the Incomplete and fast growing Small Teams. 

Action D. BE valuable to others

((to be further updated after the present heatwave in NL and our mourning over the victims of Putin’s colonels on board of flight MH17. NL victims: 193 at last count of Air Malaysia ))

 

5.

Nature is strong

Nature is Strong ! So can we, employing the collective wisdom of the crowd by distributed authority networked. Connected we stand. Connected we can learn and react fast.

5. A wonderful example of how nature has done collective intelligence for survival is with Slime Molds (or Slime Moulds) a creature which consists of many thousands of single cell entities. In harsh environments it can even fall apart to let the cells explore on their own its surroundings to find food. And after some have re-combine into one creature !! The following TED lecture tells about this creature and shows how it operate as a network: http://www.ted.com/talks/heather_barnett_what_humans_can_learn_from_semi_intelligent_slime_1#t-356514

With thanks to @lisa kelly

 

 

P.S. See the book which will be published soon: [Creating a Learning Society: A New Approach to Growth, Development, and Social Progress. Joseph E. StiglitzBruce C. GreenwaldPhilippe AghionKenneth J. ArrowRobert M. Solow  July 2014]

Jaap van Till, Connectivist

Version 1: July 14 2014. Version 2: July 16 2014. Version 3: July 17 2014. Version 4: July 18 2014. Version 5: July 22.

Posted in ExtraOrdi, flocking, Internet success, P2P Commons, Uncategorized, Van Till's Principle, Wealth creation | Tagged , , , , , , | 1 Comment

Nation States Browse YOU

Internet browses you(With thanks from @scars_and_stripez on Instagram)

Unfortunately the mass surveillance of state governments is not only in the USA. They do this with the best interests of you in their minds, since “if you have done nothing wrong, you have nothing to fear”, right?

Wrong. It is no longer you who decides if you have something to fear but them.

Jaap van Till, connectivist

 

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Today 25 years ago: Demonstration for More Freedom on Tiananmen Square Crushed

450px-Goddess_of_Democracy_replicaWe are all connected so it concerns all of us.

Tiananmen2

 

There can be no sustainable prosperity without freedom in the networked Civil Society.

Tiananmen3

The Party leadership called them “scum”. Now these students are the hope of China’s future.

Tiananmen4

Jaap van Till, Connectivist and Lightpath Finder

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Neural processing of visual and auditory information

broodjejaap:

Very interesting progress

Originally posted on Knowledge Team:

See on Scoop.itBounded Rationality and Beyond

Over the past decade there has been considerable progress in understanding how the brains of many species process visual and auditory information relevant to their ecological niche. However, it is perhaps the last three decades that have witnessed the truly remarkable advance in our knowledge in these domains, and this has happened because of the enormous volume of dedicated work undertaken by a very large number of neuroscientists around the world. Perhaps the best indication of this blossoming of our knowledge in the field of visual and auditory information processing can be seen by inspecting the huge volume of research targeting these areas that occurs in theSociety of Neuroscience Abstractsevery year.

In the case of vision research the neural structures that have been investigated range from the retina itself, right through to the frontal eye-fields in the cortex. This enormous amount of…

View original 213 more words

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Just an Idea that may improve life for millions

Waka Waka

A few minutes ago I posted this on Twitter:

IDEA: Can make a “Waka-Waka WARMTH” : with infrared LED’s? For warming people in tents at night.

They have made (1) the Waka Waka Light = solar panel device and lamp for light at night.

and (2) the Waka Waka Power = same as (1), but with connector to power up your smartphone in places where no AC power is available. If you buy one of these, another will be sent to one of the many refugee camps in the world. Makes a real difference especially for children who can read and study at night. And feed the cell phones.

I noticed that LED’s are not only for producing light but are also available for InfraRed radiation = warmth. Refugee tents as well as campers tents can be very cold and damp at night, so maybe a ‘Waka Waka Warmth‘  can let the sun shine warm at night ??

Might save a lot of firewood and decrease CO2 emission in the World.

jaap van till, connectivist

 

Posted in solarlamp, solarwarmth, Uncategorized | Tagged | Leave a comment